Jurisprudentie Planschade

Op deze pagina vindt u een selectie van belangrijke recente uitspraken van de AbRS over planschade. Voor een uitgebreider overzicht van uitspraken verwijzen wij naar:
- Planschade. Jurisprudentie 01.01.2014-01.01.2015, Berghauser Pont, Amsterdam 2015, mr. T. ten Have en mr. ing. J.J. Thoonen.
- Jurisprudentiebundel Planschade. Uitspraken 2012 tot april 2013, Thorbecke, Zwolle 2013, mr. T. ten Have en mr. ing. J.J. Thoonen.
- Planschade als onderdeel van de Reeks Grondzaken in de praktijk (voorheen Handboek Grondzaken), Sdu Uitgevers, Den Haag 2012, mr. ing. J.J. Thoonen en mr. T. ten Have.
- Jurisprudentiebundel Planschade. Uitspraken 2010 tot april 2012, Thorbecke, Zwolle 2012, mr. T. ten Have en mr. ing. J.J. Thoonen.
Voor alle uitgaven geldt dat deze regelmatig worden herzien.

Nieuwe uitspraken

Wat zijn voorbeelden van normale maatschappelijke ontwikkelingen?

Centrumlocatie

Acht eengezinswoningen met garage in het centrum zijn een normale maatschappelijke ontwikkeling, waarmee aanvragers rekening hadden kunnen houden in die zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachting lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. De woningen passen binnen het gemeentelijk en provinciaal beleid. Verder past de ontwikkeling in de bestaande stedenbouwkundige structuur van de direct omliggende woonobjecten. Ook is de afstand niet zo kort dat het geen normale ontwikkeling meer is en is de schade niet onevenredig.
Zie:
- AbRS 24-12-2014, 201402826/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:4668 (gemeente Lisse).

Inbreidingslocatie

De bouw van een appartementengebouw in een dorpskern leidt tot zes extra wooneenheden wat een gering toename is. De stedenbouwkundige structuur en het woonklimaat worden niet aangetast. Het appartementengebouw sluit qua goot- en bouwhoogte niet volledig aan bij de plaatselijke situatie. De ontwikkeling ligt wat het woongebruik en de aard van de woningbouw betreft wel in de lijn der verwachting. Een normaal maatschappelijk risico van 3% is in dit geval gerechtvaardigd.
- AbRS 26-11-2014, 201401583/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:4256 (gemeente Gemert-Bakel).

Is planschade een onderdeel van een exploitatieplan?

In de exploitatieopzet is rekening gehouden met een kostenpost voor planschade ter hoogte van € 320.000. Volgens de raad is een kwalitatieve planschaderisicoanalyse gemaakt, maar dat hiervan geen rapport is opgesteld. De raad heeft de hoogte van de kostenpost planschade niet voldoende inzichtelijk gemaakt.
- AbRS 26-11-2014, 201306719/1/R3, ECLI:NL:RVS:2014:4222 (gemeente Kaag en Braassem).

Is de opsomming van planologische maatregelen in artikel 6.1 lid 2 Wro limitatief?

De gestelde schade vloeit niet voort uit een planologische maatregel, als bedoeld in artikel 6.1 lid 2 Wro. Voor tegemoetkoming in planschade buiten de in die bepaling limitatief opgesomde gevallen is geen plaats.
Zie:
- AbRS 24-12-2014, 201404654/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:4714 (gemeente Súdwest-Fryslân);
- AbRS 03-12-2014, 201401817/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:4398 (gemeente Cranendonck).

Is de adviseur onafhankelijk en onpartijdig?

De adviseur die b&w aanwijzen voor advies moet zijn te beschouwen als een onafhankelijk en onpartijdig deskundige.
De adviseur was de vaste planschadeadviseur van b&w, maar hij werd door b&w en de raad af en toe ook als advocaat ingeschakeld voor juridische bijstand. Uit de door de adviseur tijdens de procedure opgestelde stukken blijkt geen onderscheid tussen zijn rol als planschade-adviseur en zijn rol als advocaat. De schijn is gewekt dat de adviseur als planschadeadviseur niet onpartijdig is.
Zie:
- AbRS 17-12-2014, 201402067/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:4570 (gemeente Helmond).

Wat is bij planologische vergelijking van belang?

Feitelijke invulling van de planologische maatregel
Volgens aanvragers maakt het nieuwe bestemmingsplan woningen mogelijk in een veel lagere prijsklasse dan hun vrijstaande woningen.  Voor beoordeling van een aanvraag is de wijziging van de planologie bepalend en niet de feitelijke situatie. Het type en de prijsklasse van de nieuwbouwwoningen betreffen de feitelijke situatie. Terecht zijn deze niet bij de beoordeling is betrokken.
Zie:
- AbRS 22-10- 2014, 201310877/1/A1, ECLI:NL:RVS:2014:3784 (gemeente Oss).

Sloop bestaande bebouwing
Voor de realisering van bebouwing tot op 4 m van de perceelsgrens moest eerst de bestaande woning worden gesloopt. De eigenaar van het buurperceel heeft nooit de bedoeling gehad om de bestaande woning te slopen. Dat betekent niet dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten dat een opvolgend eigenaar van het woonperceel niet tot sloop van de bestaande woning en nieuwbouw op een afstand van 4 m van de perceelsgrens was overgaan.
-  AbRS 10-12-2014, 201403504/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:4500 (gemeente Schagen).

Blijft de schade op grond van het normaal maatschappelijk risico voor aanvrager?

B&w moeten motiveren of en zo ja, in hoeverre de door een aanvrager om tegemoetkoming in de planschade geleden schade tot het normale maatschappelijke risico behoort. Daarbij kan een forfaitaire drempel worden gehanteerd of een kortingspercentage worden toegepast. De aftrek van € 5.000,00 is onvoldoende onderbouwd.
- AbRS 10-12-2014, 201400755/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:4454 (gemeente Asten).

Welke schade blijft voor eigen rekening van de aanvrager?

Geen voorzienbaarheid c.q. actieve risicoaanvaarding
Omwonenden zijn via een brief door de gemeente op de hoogte gesteld van de nieuwe ontwikkeling. De verkoper had aanvrager niet geïnformeerd over de brief. Dat verkoper aanvrager niet heeft geïnformeerd over deze brief is geen reden om het risico daarvan voor aanvrager te laten.
Zie:
- AbRS 15-10-2014, 201400773/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:3715 (gemeente Uithoorn).

Uitspraken tot en met 1 januari 2015

Moet bij een aanvraag van meerdere aanvragers één of meerdere keren het recht worden betaald?

B&w heffen een recht van een aanvrager om tegemoetkoming in de planschade (artikel 6.4 lid 1 Wro). Als meerdere aanvragers hun aanvraag verwoorden in een collectieve aanvraag is elke aanvrager het recht afzonderlijk verschuldigd.
Zie:
- rb 's-Hertogenbosch 11-05-2012, AWB 11/986, ECLI:NL:RBSHE:2012:BW6431 (gemeente ’s-Hertogenbosch).

Kan de aanvraag al inhoudelijk worden behandeld als de schadeveroorzakende planologische maatregel nog niet onherroepelijk is?

Op een aanvraag om tegemoetkoming in de planschade kan pas worden beslist na de datum van onherroepelijk worden van het schadeveroorzakende besluit. Op het moment van het nemen van het besluit op het bezwaar was het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk.
Zie:
- AbRS 02-07-2014, 201306836/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:2385 (gemeente Rotterdam).

Op een aanvraag om planschadevergoeding kan pas worden beslist na de datum van onherroepelijk worden van het schadeveroorzakende besluit. Een eerder ingediende aanvraag kan worden aangehouden of - als prematuur gedaan - worden afgewezen.
Zie:
- AbRS 27-06-2012, 201106431/1/A2, ECLI:NL:RVS:2012:BW9537 (gemeente Zwolle).

Is de adviseur onafhankelijk en onpartijdig?

De adviseur die b&w aanwijzen voor advies moet zijn te beschouwen als een onafhankelijk en onpartijdig deskundige.
De adviseur was de vaste planschadeadviseur van b&w, maar hij werd door b&w en de raad af en toe ook als advocaat ingeschakeld voor juridische bijstand. Uit de door de adviseur tijdens de procedure opgestelde stukken blijkt geen onderscheid tussen zijn rol als planschade-adviseur en zijn rol als advocaat. De schijn is gewekt dat de adviseur als planschadeadviseur niet onpartijdig is.
Zie:
- AbRS 17 december 2014, 201402067/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:4570 (gemeente Helmond).

Mag de adviseur een definitief advies wijzigen ten opzichte van het conceptadvies?

De gemeenteraad mag zich baseren op het definitieve rapport van de adviseur, ook al kwam de adviseur in een eerder rapport tot een andere conclusie. Het advies mocht aangevuld en aangepast worden naar aanleiding van opmerkingen van de gemeenteraad.
Zie:
- AbRS 30-06-2010, 200908037/1/H2, ECLI:NL:RVS:2010:BM9641 (gemeente Delft).

Mogen b&w zonder meer uitgaan van het advies van de adviseur?

B&w mogen als uit een advies van de adviseur op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies zijn begrijpelijk van dat advies uitgaan. Dat geldt niet als er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.
Zie:
- AbRS 16-11-2011, 201102538/1/H2, ECLI:NL:RVS:2011:BU4594 (gemeente Aalburg).

Mogen b&w een tweede adviseur om een second opinion vragen?

Er mag als er redelijkerwijs twijfel kan bestaan over de juistheid van het advies van de adviseur een nader advies worden gevraagd aan een andere adviseur. Dat het advies van de tweede adviseur afwijkt van dat van de eerste adviseur betekent niet zonder meer dat de tweede adviseur ongemotiveerd heeft overwogen dat geen relevante schade is opgetreden.
Zie:
- AbRS 12-01-2011, 201005176/1/H2, ECLI:NL:RVS:2011:BP0534 (gemeente Arnhem).

Een bestuursorgaan mag van het advies van een door hem geraadpleegde adviseur afwijken als zij dit advies of onderdelen ervan onjuist acht. Afwijking moet echter, al dan niet op basis van een ander deskundigenadvies, deugdelijk gemotiveerd worden.
Zie:
- AbRS 24-12- 2013, 201107862/1/A2, ECLI:NL:RVS:2013:2534 (gemeente Goes).

Binnen welke termijn moeten b&w een besluit nemen?

Voor de toepassing van artikel 4:17 Awb (dwangsom bij niet tijdig beslissen) is de termijn bepalend waarbinnen na ontvangst van de aanvraag de beschikking gegeven moet worden. Gelet op de Bro en de procedureverordening van de gemeente neergelegde termijnen hebben b&w te laat een besluit genomen. Vanaf twee weken na ingebrekestelling door de aanvrager verbeuren B&w een boete.
- AbRS 20-08-2014, 201306072/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:3108 (gemeente Bergen NH)

De in de procedureregeling vermelde termijnen voor het uitbrengen van een advies en voor de beslissing van b&w zijn termijnen van orde.
- AbRS 24-12- 2013, 201107862/1/A2, ECLI:NL:RVS:2013:2534 (gemeente Goes).

Is de opsomming van planologische maatregelen in artikel 6.1 lid 2 Wro limitatief?

De gestelde schade vloeit niet voort uit een planologische maatregel, als bedoeld in artikel 6.1 lid 2 Wro. Voor tegemoetkoming in planschade buiten de in die bepaling limitatief opgesomde gevallen is geen plaats.
Zie:
- AbRS 24-12-2014, 201404654/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:4714 (gemeente Súdwest-Fryslân);
- AbRS 03-12-2014, 201401817/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:4398 (gemeente Cranendonck);
- AbRS 04-04-2012, 201109892/1/A2, LJN: BW0795 (gemeente Ooststellingwerf);
- AbRS 02-11-2011, 201104311/1/H2, LJN: BU3111 (gemeente Opsterland).

Is sprake van een planologisch nadeliger situatie waardoor een aanvrager schade lijdt?

Onderzocht moet worden of de aanvrager om tegemoetkoming in de planschade door een wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, waardoor hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen de planologische maatregel, die volgens de aanvrager de schade heeft veroorzaakt, en het voordien geldende planologische regime. De feitelijke situatie is niet van belang, maar alleen wat op grond van dat planologisch regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.
Zie:
- AbRS 24-12-2014, 201404070/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:4723 (gemeente Groningen).

Wat is bij planologische vergelijking van belang?

Feitelijke invulling van de planologische maatregel

Volgens aanvragers maakt het nieuwe bestemmingsplan woningen mogelijk in een veel lagere prijsklasse dan hun vrijstaande woningen.  Voor beoordeling van een aanvraag is de wijziging van de planologie bepalend en niet de feitelijke situatie. Het type en de prijsklasse van de nieuwbouwwoningen betreffen de feitelijke situatie. Terecht zijn deze niet bij de beoordeling is betrokken.
Zie:
- AbRS 22-10-2014, 201310877/1/A1, ECLI:NL:RVS:2014:3784 (gemeente Oss)


Dat in een woonwijk dure en hoogwaardige woningen worden gebouwd is veelal een gevolg van de feitelijke invulling die is gegeven aan de bebouwingsmogelijkheden onder het nieuwe planologische regime. Zo’n omstandigheid kan niet worden aangemerkt als een gevolg van de planologische wijziging. In casu echter is de omstandigheid dat uitsluitend woningen worden gebouwd in het duurdere marktsegment een gevolg van wat in de planbeschrijving en de beschrijving in hoofdlijnen van het uitwerkingsplan is bepaald over die invulling. Deze omstandigheid is terecht in de planvergelijking betrokken.
Zie:
- AbRS 13-10-2010, 201001719/1/H2, LJN: BO0249 (gemeente Weststellingwerf).

Voor- en nadelen van dezelfde planologische maatregel
Verrekening van planologische voor- en nadelen kan alleen plaatsvinden als deze worden veroorzaakt door hetzelfde planologische regime.
Zie:
- AbRS 12-01-2011, 201005710/1/H2, LJN: BP0535 (gemeente Voorst).

De vrijstellingsbesluiten zijn genomen vooruitlopend op het ten tijde van het nemen van die besluiten in ontwikkeling zijnde bestemmingsplan. In dit bestemmingsplan was de oprichting van de door de aanvragers om planschadevergoeding gewraakte hoge bebouwing voorzien en planologisch afgewogen. De vrijstellingen zijn uitsluitend verleend om een formeel geldend bouwverbod te doorbreken. Het bestemmingsplan was ten tijde van de indiening van de aanvraag om planschadevergoeding al in werking getreden en is enkele maanden daarna, zijnde ruim voor de primaire beslissing op de aanvraag, onherroepelijk geworden. De vrijstellingsbesluiten zijn zo nauw verweven met het bestemmingsplan dat de door deze besluiten veroorzaakte nadelen en voordelen geacht moeten worden voort te vloeien uit hetzelfde planologische regime.
Zie:
- AbRS 07-04-2004, 200300472/1, LJN: AO7100 (gemeente Alphen aan de Rijn).

Angst en negatieve gevoelswaarden
Voor het toekennen van planschadevergoeding zijn alleen de ruimtelijke  gevolgen van het nieuwe regime en de objectief redelijkerwijs daarvan te verwachten overlast van belang. Ook al wordt schade door inundatie (onderwaterzetting) vergoed een redelijk denkende en redelijk handelende koper zal gronden met een dubbelbestemming lager waarderen dan gronden zonder die bestemming als hij hinder verwacht bij zijn agrarische bedrijfsvoering. Dit verschil in waardering is niet slechts te herleiden tot subjectieve elementen.
- AbRS 27-02-2013, 201109377/1/A2, LJN: BZ2515 (gemeente Hardenberg).

Voor de planologische vergelijking zijn alleen de ruimtelijke gevolgen en de objectief te verwachten overlast van belang. Subjectieve elementen spelen geen rol. Onbestemde angst van toekomstige kopers voor vermeende gezondheidsrisico’s die worden toegerekend aan zendmasten, speelt geen rol in de planologische vergelijking.
Zie:
- AbRS 30-11-2011, 201102181/1/H2, LJN: BU6314 (gemeente Maasdonk).

Is realisering van de planologie met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uit gesloten?

Uitgangspunt bij een planologische vergelijking is dat wordt uitgegaan van de mogelijkheden die maximaal konden worden gerealiseerd, tenzij die realisering niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten.
Zie:
- AbRS 10-12-2014, 201400687/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:4446 (gemeente Gorinchem);
- AbRS 25-04-2012, 201106998/1/A2, LJN: BW3853 (gemeente Ooststellingwerf).

Sloop bestaande bebouwing
Voor de realisering van bebouwing tot op 4 m van de perceelsgrens moest eerst de bestaande woning worden gesloopt. De eigenaar van het buurperceel heeft nooit de bedoeling gehad om de bestaande woning te slopen. Dat betekent niet dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten dat een opvolgend eigenaar van het woonperceel niet tot sloop van de bestaande woning en nieuwbouw op een afstand van 4 m van de perceelsgrens was overgaan.
-  AbRS 10-12-2014, 201403504/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:4500 (gemeente Schagen).

Bestaande bebouwing elders slopen
Dat voor realisering van woonbebouwing op 2 m afstand van 3 zijden van het perceel van aanvrager om planschadevergoeding elders in het plangebied van het bestemmingsplan bestaande woningen moeten worden gesloopt, omdat op grond van de bouwvoorschriften het aantal woningen op gronden met de bestemming Woongebied niet mag toenemen, betekent niet dat realisering van deze woonbebouwing zo onwaarschijnlijk is, dat daarvan bij de planvergelijking niet mag worden uitgegaan. Van deze woonbebouwing valt niet minder hinder te verwachten dan van de door de vrijstelling planologisch mogelijk gemaakte nieuwe bebouwing. De aanvrager lijdt door de vrijstelling geen planologisch nadeel.
Zie:
- AbRS 27-06-2012, 201108746/1/A2, LJN: BW9528 (gemeente Sliedrecht).

Glastuinbouw niet rendabel
Terecht is bij de maximale invulling onder het oude bestemmingsplan rekening gehouden met mogelijkheid van glastuinbouw. Dat glastuinbouw niet rendabel en doelmatig is betekent niet dat kassenbouw met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon worden uitgesloten.
- AbRS 13 november 2013, 201304613/1/A2, ECLI:NL:RVS:2013:1964 (gemeente Aalsmeer)

Ontbreken behoefte aan bestaande bouwmogelijkheden
Dat eventueel aan een gemeentehuis, een gebouw voor de brandweer of een busstation geen behoefte bestaat en deze niet realistisch zijn, betekent niet dat het realiseren van de op grond van het bestemmingsplan onder het oude planologische regime bestaande mogelijkheden voor bebouwing voor openbare dienstverlening en algemeen sociaal-culturele doeleinden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten.
Zie:
- AbRS 08-02-2012, 201107169/1/A2, LJN: BV3206 (gemeente Oost Gelre).

Is de schade het gevolg van planologische maatregel? Is er causaal verband tussen de schade en de planologische maatregel?

De schade door verkeerde voorlichting door de projectontwikkelaar komt niet voor een tegemoetkoming op grond van afdeling 6.1 Wro in aanmerking. Deze afdeling biedt geen grondslag voor schade door handelen van derden.
- AbRS 5 maart 2014, 201202176/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:716 (gemeente Laarbeek).

Het vrijstellingsbesluit maakt een kortverblijfhuis voor personen met een verstandelijke beperking of met psychische problemen mogelijk. Voor de planvergelijking zijn de ruimtelijke gevolgen van het vrijstellingsbesluit van belang. Er moet in de planvergelijking uitgegaan worden van het gebruik voor de doelgroep waarop die vrijstelling betrekking heeft. Schade die het gevolg is van het mogelijk niet naleven van wettelijke voorschriften of van mogelijke uitwassen van gedrag komt niet voor tegemoetkoming in aanmerking.
Zie:
- AbRS 13-02-2013, 201204227/1/A2, LJN: BZ1251 (gemeente Opsterland).

Hoe om te gaan met vrijstellingen ex artikel 15 van de WRO/binnenplanse ontheffingen/binnenplanse afwijkingen in de planologische vergelijking?

Voor aanvragen waarop de Wro van toepassing is geldt dat in een bestemmingsplan opgenomen ontheffingsmogelijkheden bij maximale invulling van dat bestemmingsplan in de planvergelijking buiten beschouwing worden gelaten. Dat geldt ook voor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 lid 1, onder c Wabo.
Zie:
- AbRS 18-6-2014, 201304978/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:2177 (gemeente Tilburg)
- AbRS 01-08-2012, 201108638/1/A2, LJN: BX3316 (gemeente Utrechtse Heuvelrug);
- AbRS 05-09-2012, 201113384/1/A2, LJN: BX6493 (gemeente Giessenlanden).

Wat zijn de maximale mogelijkheden onder de oude planologie als de oude planologie een uit te werken bestemmingsplan is?

Op 25 april 2013 is artikel 6.1 lid 6 Wro in werking getreden. Hiermee is beoogd dat een uit te werken bestemming niet in de planologische vergelijking wordt betrokken. Zolang er geen uitwerkingsplan is vastgesteld en in werking getreden is er geen grondslag voor een tegemoetkoming (TK II, 2011-2012, 33 135, nr. 3, blz. 13-14 en 44-45). Dit artikellid gold nog niet ten tijde van belang.
De nieuwe planologie is een uit te werken bestemming. Nagegaan moet worden wat op het moment van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan naar redelijke verwachting de invulling van de uit te werken bestemming van de gronden zou zijn.
Zie:
- AbRS 24-09-2014, 201310873/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:3485 (gemeente Veenendaal)

De uitwerkingsplicht is geen oorzaak van planschade als bedoeld in artikel 6.1 Wro. Een uit te werken bestemming zal vroeg of laat worden uitgewerkt. Dat betekent dat in de planvergelijking met de mogelijkheden van de uit te werken bestemming rekening moet worden gehouden.  Nagegaan moet worden wat ten tijde van de inwerkingtreding van het betrokken besluit naar redelijke verwachting de invulling van de uit te werken bestemming van de gronden zou zijn.
- AbRS 22 januari 2014, 201300680/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:109 (gemeente Noordenveld);
- AbRS  17-04-2013, 201205035/1/A2, LJN: BZ7707 (gemeente Ridderkerk).

Is schaduw van bomen hetzelfde als schaduw van gebouwen?

In de planologische vergelijking mag met de bomen en de schaduwwerking van bomen rekening worden gehouden. De invloed van de bomen op de zonlichttoetreding is seizoensgebonden. Enige extra schaduwwerking door het appartementencomplex is aannemelijk.
Zie:
- ABRS 25-04-2012, 201107256/1/A2, LJN: BW3877 (gemeente Bladel).

Wat is de peildatum voor het bepalen van de schade?

B&w moeten een vergelijking maken tussen het oude en het nieuwe planologische regime ten tijde van de datum waarop dat besluit rechtskracht heeft gekregen, zijnde de peildatum.
Zie:
- AbRS 04-04-2012, 201110096/1/A2, LJN: BW0802 (gemeente Waddinxveen).

Worden de kosten van schadebeperkende maatregelen vergoed?

Aanvragers om planschadevergoeding wensen een vergoeding voor het aanbrengen van een afscherming voor de ramen van hun woningen ter beperking van de inkijk. Bij het bepalen van de hoogte van de schade is de aantasting van de privacy als schadefactor betrokken. De planschadevergoedingen zijn dus mede toegekend wegens een toename van de mogelijke inkijk in de woningen. Er bestaat geen aanleiding ook de kosten voor het aanbrengen van een afscherming tegen inkijk te vergoeden.
Zie:
- AbRS 27-06-2012, 201106431/1/A2, LJN: BW9537 (gemeente Zwolle).

Blijft de schade op grond van het normaal maatschappelijk risico voor aanvrager?

Hoe verhoudt het normaal maatschappelijk risico zich tot de 2% regeling?
Artikel 6.2 lid 1 Wro, waarin is geregeld dat binnen het normaal maatschappelijk risico vallende schade voor rekening blijft van een aanvrager om tegemoetkoming in de planschade, heeft een zelfstandige betekenis. B&w hebben ten onrechte niet als eerste onderzocht of en zo ja, in hoeverre de door de aanvrager om tegemoetkoming in de planschade gestelde schade binnen het normale maatschappelijke risico valt. De rb heeft dit door slechts te toetsten of bijzondere omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan een groter deel dan 2% van de waarde van de onroerende zaak als bedoeld in artikel 6.2 lid 2 Wro voor rekening van de aanvrager om tegemoetkoming in de planschade blijft niet onderkend. Zie: - AbRS 05-09-2012, 201113115/1/A2, LJN: BX6492 (gemeente Heiloo).

Welke criteria gelden voor het bepalen van het normaal maatschappelijk risico?
De vraag of schade tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat de ontwikkeling in de lijn van de verwachtingen lag. Niet vereist is een concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen was. De mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde planologische beleid past is van belang. Verder zijn van belang:

- de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager om tegemoetkoming in de planschade;
- de aard en de omvang van de planologische maatregel;
- de aard en de omvang van het daardoor veroorzaakte nadeel.
Zie:
- AbRS 22-10-2014, 201310877/1/A1, ECLI:NL:RVS:2014:3784 (gemeente Oss);
- AbRS 21-11-2012, 201111969/1/A2, LJN: BY3738 (gemeente Heeze-Leende);
- AbRS 05-09-2012, 201113115/1/A2, LJN: BX6492 (gemeente Heiloo);
- AbRS 29-02-2012, 201104750/1/A2, LJN: BV7254 (gemeente Tilburg).

B&w moeten motiveren of en zo ja, in hoeverre de door een aanvrager om tegemoetkoming in de planschade geleden schade tot het normale maatschappelijke risico behoort. Daarbij kan een forfaitaire drempel worden gehanteerd of een kortingspercentage worden toegepast. De aftrek van € 5.000,00 is onvoldoende onderbouwd.
- AbRS 10-12-2014, 201400755/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:4454 (gemeente Asten).

 

Wat zijn voorbeelden van normaal maatschappelijk risico?

Inbreidingslocatie

De realisering van 13 woningen op een hofje c.q. inbreidingslocatie is gedeeltelijk aan te merken als een normaal maatschappelijke ontwikkeling. De ontwikkeling past op onderdelen (type woningen, bebouwde oppervlakte en hoogtematen) binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur, maar wijkt door de kleinere maatvoering van de kavels daarvan af. De ontwikkeling past binnen het tijdelijk gevoerde gemeentelijk ruimtelijk beleid, maar niet in het beleid voor de langere termijn.
Conclusie: de gestelde schade valt gedeeltelijk binnen het normaal maatschappelijk risico. Terecht is  daarom (slechts) een korting van 15% op de schade toegepast.
Zie:
- AbRS 15-05-2013, 201204333/1/A2, LJN: CA0153 (gemeente Heeze-Leende).

Gelet op de volgende omstandigheden lag de planologische wijziging in de lijn van de verwachting:
- in de directe omgeving van de bouwlocatie is uitsluitend sprake van percelen met een woonbestemming;
- het bouwplan voegt zich goed in het karakter van de buurt;
- de locatie behoort tot het (centrum)dorpse woonmilieu;
- de ontwikkeling sluit aan op de plaatselijke situatie;
- het bouwplan is in overeenstemming met het ruimtelijke beleid van de gemeente;
- er vindt geen grote aantasting van de bestaande stedenbouwkundige structuur en van het woonklimaat, gelet op de afmetingen van het object, de al bestaande bouwmogelijkheden en de afstand tot de woning;
- inbreiding van woningen in een bestaande woonkern is een normale maatschappelijke ontwikkeling.
Verder is de gestelde schade relatief gering van omvang.
Conclusie: de gestelde schade valt binnen het normale maatschappelijke risico.
Zie:
- AbRS 29-02-2012, 201104750/1/A2, LJN: BV7254 (gemeente Tilburg).

Kleinschalige opvang van kinderen in een eengezinswoning
Een kleinschalige opvang van kinderen in een eengezinswoning in een wijk met een woonbestemming, waar naar de aard al rekening moet worden gehouden met geluiden van kinderen in het huis of de tuin van de buren en met geluiden van het halen en brengen van kinderen, zijn algemene maatschappelijke ontwikkelingen en nadelen waarmee men rekening kan houden. Dat geldt ook voor deze woonwijk die aan de rand van een klein dorp is gelegen.
Zie:
- AbRS 16-11-2011, 201100116/1/H2, LJN: BU4569 (gemeente Zuidhorn)(aanvraag schadevergoeding door bouwvergunning).

Uitbreiding stadskantoor in historische binnenstad
De uitbreiding van het stadskantoor is gelet op het volgende een normale maatschappelijke ontwikkeling:
- de omgeving heeft een stedelijk karakter met een hoge bebouwingsdichtheid;
- er wordt geen nieuwe functie toegestaan maar een beperkte uitbreiding van een al bestaande functie;
- in de oude situatie was ook sprake van rechtstreekse inkijkmogelijkheden;
- de verleende vrijstelling leidt tot een marginale zichtbeperking en schaduwwerking en een beperkte vermindering van daglichttoetreding;
- de omvang van de schade is marginaal;
- het bouwplan is vormgegeven met het oog op aansluiting bij het karakter en de schaal van de bestaande historische omgeving.
Het stadhuis/stadskantoor is sinds jaar en dag ondergebracht in de historische binnenstad in een complex van gebouwen en monumentale panden in combinatie met achter- en naastgelegen gebouwen. In de jaren tachtig van de vorige eeuw is de eerder bestaande bebouwing ten behoeve van uitbreiding van het stadskantoor verbouwd. De woning van de aanvrager om tegemoetkoming in de planschade is eveneens gelegen in het stadscentrum, op circa 10 m afstand van de uitbreiding. Gelet op de bijzondere plaats die een stadhuis in het centrum van een historische binnenstad inneemt, lag een uitbreiding van een dergelijk stadskantoor naar een of meer direct aanliggende panden of percelen in de lijn van de verwachting. De omvang van de uitbreiding was niet uitzonderlijk. De woning van de aanvrager is gelegen in het stadscentrum en niet in een woonwijk, waar uitbreiding van centrumfuncties veel minder voor de hand zou liggen. Een en ander maakt dat een verbouwing en relatief beperkte uitbreiding op die plek als normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt.
Zie:
- rb Utrecht 20-07-2012, SBR 12/292, LJN: BX5445 (gemeente Vianen)(artikel 6.1 Wro).

Uitbreiding vliegveld
Een toename van geluidsbelasting van huizen binnen de invloedssfeer van Schiphol, die samenhangt met de groei van de luchthaven, ook al bestaat geen zicht op de omvang en vorm waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkelingen zich zullen concretiseren en de omvang van het nadeel dat daar mogelijkerwijs uit zal voortvloeien behoort tot het normaal maatschappelijk risico.
Zie:
- rb Haarlem 09-07-2012, 11/4513, LJN: BX2062 (Luchthaven Schiphol)(Gemeenschappelijke Regeling Schadeschap luchthaven Schiphol).

Bebouwen aan overzijde van een aan een zijde bebouwde straat
Het bouwen aan de overzijde van een straat die voorheen slechts aan een zijde bebouwd was is een algemene maatschappelijke ontwikkeling waarmee rekening moet worden gehouden, ook al bestond er geen zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze zich zou concretiseren en de omvang van de nadelen die daaruit eventueel zouden voortvloeien.
Zie:
- rb Roermond 08-06-2012, AWB 11 / 1629, LJN: BW8686 (gemeente Horst aan de Maas).

Vervanging verouderd schoolgebouw
Het vervangen van een verouderd schoolgebouw dat niet meer voldoet aan de eisen van de tijd valt niet onder het normaal maatschappelijk risico. De aanvrager om tegemoetkoming in de planschade hoefde niet te verwachten dat mogelijke nieuwbouw van de school zo dicht bij zijn woning zou worden gebouwd. Binnen de op de bestemmingsplankaart aangegeven bouwvlakken op het terrein van de school was voldoende ruimte voor een andere indeling. De keuze voor de locatie van de nieuwbouw lijkt vooral te zijn ingegeven door de wens van b&w om een deel van de gronden die bestemd zijn voor openbare en bijzondere doeleinden, te kunnen gebruiken voor woningbouw.
Zie:
- rb Haarlem 13-02-2012, AWB 11/3738, LJN: BW2479 (gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude).

Geldt er voor de 2% regeling overgangsrecht?

In ieder geval 2% van schade in de vorm van vermindering van de waarde van een onroerende zaak door planologische maatregelen op in de omgeving gelegen gronden blijft voor rekening van een aanvrager om tegemoetkoming in de planschade (artikel 6.2 lid 2 Wro). Dit geldt tot 1 september 2010 niet voor schade die is ontstaan vóór 1 juli 2008. Dat de 2% regeling niet geldt betekent niet dat geen sprake kan zijn van schade die behoort tot het normaal maatschappelijk risico (artikel 6.2 lid 1 Wro).
Zie:
- AbRS 29-02-2012, 201104750/1/A2, LJN: BV7254 (gemeente Tilburg);
- rb Utrecht 20-07-2012, SBR 12/292, LJN: BX5445 (gemeente Vianen);
- rb ’s-Hertogenbosch 20-03-2012, AWB 11/2075, LJN: BW8635 (gemeente Heeze-Leende).

Welke schade blijft voor eigen rekening van de aanvrager?

Voorzienbaarheid c.q. actieve risicoaanvaarding
De schade blijft voor rekening van een aanvrager om tegemoetkoming in de planschade als op het moment van de aankoop van een onroerende zaak voor een redelijk denkende en handelende koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Om voorzienbaarheid te kunnen aannemen, is vereist dat er een concreet beleidsvoornemen is dat openbaar is gemaakt, niet dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.
In casu was de schade voorzienbaar gelet op de Nota Volkshuisvesting en het voorbereidingsbesluit. Hieruit bleek dat de gemeente contractuele verplichtingen had voor de realisatie van woningbouw, dat b&w bereid waren tot herbestemming en dat het ging om 16 woningen op het plein. Dat in de publicaties over genoemde stukken het plein niet wordt genoemd is niet relevant. Aanvrager had kennis kunnen nemen van de Nota Volkshuisvesting en het voorbereidingsbesluit.
Zie:
- AbRS 29-08-2012, 201200254/1/A2, LJN: BX5931 (gemeente Montferland)(artikel 6.1 Wro).

Als de planologie na aankoop van de woning door aanvrager om planschadevergoeding eerst in positieve zin en vervolgens weer in negatieve zin is gewijzigd is voor het antwoord op de vraag of een planologische verandering buiten het eigen perceel voor een aanvrager voorzienbaar was, alleen de planologische situatie ten tijde van de koop van het eigen perceel van belang. De AbRS volgt niet de redenering uit de uitspraak van 6 oktober 2004, maar de redenering die onder meer is gevolgd in de uitspraak van 16 december 2009.
Zie:
- AbRS 29-02-2012, 201107348/1/A2, LJN: BV7238 (gemeente Eijsden-Margraten);
- AbRS 30-05-2012, 201106164/1/A2, LJN: BW6912 (gemeente Loppersum).

Passieve risicoaanvaarding
Voor aanvaarding van het risico van het vervallen van mogelijkheden is van belang of de voortekenen van de nadelige planologische wijziging reeds enige tijd zichtbaar waren. Het vervallen van mogelijkheden komt voor rekening van aanvrager om planschadevergoeding als een redelijk denkende en handelende eigenaar rekening zou houden met de kans dat de planologische situatie in ongunstige zin zou gaan veranderen. Van belang daarbij zijn concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Een formele status van deze voornemens is niet vereist. Als concrete pogingen zijn ondernomen tot realisering van de mogelijkheden bestaat er geen grond voor het aannemen van passieve risicoaanvaarding.
Zie:
- AbRS 08-02-2012, 201105961/1/A2, LJN: BV3187 (gemeente Bergeijk).

Tussen de terinzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan en de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is een periode gelegen van bijna 10 maanden. Dit is bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar niet te kort voor het aanvaarden van het risico dat de bouwmogelijkheid op het perceel zou komen te vervallen. Binnen die termijn hadden aanvragers om planschadevergoeding een aanvraag om bouwvergunning kunnen indienen. Aanvragers hebben niet gesteld dat zij in die periode begonnen zijn met het ontwikkelen van een bouwplan.
- AbRS 10-11-2010, 201001810/1/H2, LJN: BO3506 (gemeente Meerssen).

Wat is de peildatum voor de voorzienbaarheid?

Voor het antwoord op de vraag of een planologische wijziging buiten het eigen perceel van een aanvrager voorzienbaar was is de planologische situatie op het moment van de koop van het perceel door aanvrager van belang. Dat geldt ook als na die koop het planologisch regime eerst in positieve zin is gewijzigd voor aanvrager en vervolgens in negatieve zin.

Zie:
- AbRS 20-02-2013, 201204511/1/A2, LJN: BZ1658 (gemeente Goes).

Wanneer is de schade anderszins verzekerd?

De aanvrager om tegemoetkoming in de planschade en de ontwikkelaar hebben overeenkomst gesloten, op grond waarvan de ontwikkelaar een strook grond voor een symbolisch bedrag aan aanvrager overdraagt en een schutting plaatst. Voorwaarde is dat de aanvrager geen bezwaar maakt tegen de bouwplannen en afziet van planschadevergoeding. De berekende tegenwaarde van de door de ontwikkelaar geleverde prestatie is vergelijkbaar met het in de planschaderisicoanalyse vermelde bedrag. De schade is anderszins verzekerd.
Zie:
- AbRS 30-11-2011, 201105965/1/H2, LJN: BU6351 (gemeente Aa en Hunze).

Komen de kosten van deskundigen voor vergoeding in aanmerking

Bij toepassing van artikel 49 van de WRO kan aanleiding bestaan voor het toekennen van een bijdrage in de deskundigenkosten als het inschakelen van de deskundige redelijkerwijs noodzakelijk was om tot een geobjectiveerde waardebepaling te komen. In het advies van de adviseur is tot een zodanige waardebepaling gekomen. Het inschakelen van een deskundige door de aanvrager om tegemoetkoming in de planschade was dus niet noodzakelijk.
Zie:
- AbRS 07-12-2011, 201102936/1/H2, LJN: BU7066 (gemeente Lingewaard).

Speelt planschade een rol in de planologische procedure?

De gemeenteraad mag niet als door omwonenden naar voren wordt gebracht dat zij onevenredig nadeel ondervinden van een nieuwe ontwikkeling volstaan met een verwijzing naar de planschadeprocedure waarin die belangen aan de orde kunnen komen. De gemeenteraad moet inzichtelijk maken dat de belangen van omwonenden in de planologische afweging zijn betrokken. Ook moet de gemeenteraad bezien of het bestemmingsplan uitvoerbaarheid is.
- AbRS 23-01-2013, 201205240/1/R1, LJN: BY9230 (gemeente Horst aan de Maas).

Speelt bij de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan planschade een rol?

Dekking uit eigen middelen gemeente
De gemeenteraad zal een eventueel exploitatietekort voor het gehele centrumplan, waarvan het plan deel uitmaakt, dekken. De gemeentelijke begroting houdt rekening met mogelijke kosten van planschade. De financiële uitvoerbaarheid is gewaarborgd.
Zie:
- AbRS 06-04-2011, 201001239/1/R2, LJN: BQ0273 (gemeente Duiven).

Dekking op basis van anterieure overeenkomsten
Uit onderzoek is gebleken dat planschadeclaims zijn te verwachten voor een bedrag van € 350.000,00. Er is een anterieure overeenkomst gesloten. Er zijn afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten. Hierbij is rekening gehouden met de uitkomsten van de planschadeanalyse. In de grondexploitatieopzet is een reservering voor niet verwachten kosten opgenomen. Het uitwerkingsplan is financieel uitvoerbaar.
Zie:
- AbRS 11-01-2012, 201011006/1/R2, LJN: BV0592 (gemeente Hattem).

Weigeren planologische medewerking vanwege ontbreken planschadeverhaalsovereenkomst?

B&w mogen als voorwaarde aan het vaststellen van een wijzigingsplan stellen dat de aanvrager van zo’n plan zich in een planschadeverhaalsovereenkomst verbindt om de eventueel uit het wijzigingsplan voortvloeiende planschade voor zijn rekening te nemen. De beoogde wijziging is uitsluitend in het belang van de aanvrager van het wijzigingsplan. Van belang is dat b&w in dit geval niet de mogelijkheid hadden de kosten uit hoofde van een exploitatieplan te verhalen. Het wijzigingsplan heeft namelijk geen betrekking op een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro juncto artikel 6.2.1. Bro.
- AbRS 25-01-2012, 201101979/1/R3, LJN: BV1816 (gemeente Heeze-Leende).

Is het opstellen een planschaderisicoanalyse verplicht?

Er geen wettelijke verplichting tot het opstellen van een planschaderisicoanalyse. Wel moet de gemeenteraad inzicht bieden in de financiële uitvoerbaarheid van het bestemminngsplan. Eventueel te betalen tegemoetkomingen in planschade en een mogelijk verhaal van deze kosten kunnen daarbij een rol spelen.
Zie:
- AbRS 25-04-2012, 201107600/1/R3, LJN: BW3866 (gemeente Tilburg).

Wat is de betekenis van een planschaderisicoanalyse bij een besluit op aanvraag om tegemoetkoming in de planschade?

Een planschaderisicoanalyse die is opgesteld tijdens de totstandkoming van een planologische maatregel speelt geen rol bij het besluit op een aanvraag om tegemoetkoming in de schade. Zo’n planschaderisicoanalyse is in het algemeen  globaler van aard dan de beoordeling van een aanvraag, is opgesteld toen de peildatum nog niet bekend was en er heeft voor die analyse geen uitvoerige taxatie plaatsgevonden.

- AbRS 20-02-2013, 201204662/1/A2, LJN: BZ1660 (gemeente Bladel).

Is een planschaderisicoanalyse openbaar?

De planschaderisicoanalyse van BRO is op verzoek van b&w opgesteld. De planschaderisicoanalyse van Gloudemans is op verzoek van de projectontwikkelaar opgesteld. De projectontwikkelaar heeft deze planschaderisicoanalyse overgelegd bij het verzoek om vrijstelling ex artikel 19 van de WRO. De planschaderisicoanalyses zijn bedoeld voor intern beraad en bevatten geen persoonlijke beleidsopvattingen als bedoeld in de Wob.
B&w hadden de openbaarmaking van de planschaderisicoanalyses niet mogen weigeren op grond van artikel 11 Wob.
- AbRS 16-12-2009, 200809388/1/H3, LJN: BK6716 (gemeente Maasdriel).

Moet de planschaderisicoanalyse bij een ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd?

De planschaderisicoanalyse heeft niet ten grondslag gelegen aan het standpunt dat het bestemmingsplan financieel uitvoerbaar is. Dit betekent dat de analyse geen op het ontwerpbestemmingsplan betrekking hebbend stuk is. Het hoeft dus niet bij met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd te worden. De analyse is aan appellant en anderen toegezonden en zij hebben daarop kunnen reageren. Ze zijn niet in hun belangen geschaad.
Artikel 3:11 Awb verplicht niet tot de terinzagelegging van anterieure overeenkomsten. Dit zijn geen op het ontwerpbestemmingsplan betrekking hebbende stukken.
- AbRS 18-07-2012, 201109429/1/R3, LJN: BX1869 (gemeente Deurne).

Moet de planschaderisicoanalyse bij een ontwerpexploitatieplan ter inzage worden gelegd?

De planschaderisicoanalyse is een op het ontwerpexploitatieplan betrekking hebbend stuk. Dit stuk had op grond van artikel 3:11 Awb ter inzage gelegd moeten worden. De planschaderisicoanalyse maakt deel uit van het procesdossier. Het is aan partijen verzonden. Appellanten hebben de mogelijkheid gehad om in het vervolg van de procedure hierop te reageren. Het is niet aannemelijk dat zij door een onvolledige terinzagelegging in hun belangen zijn geschaad.
- AbRS 29-02-2012, 201002769/1/R1, LJN: BV7289 (gemeente Gorinchem).

Is planschade een onderdeel van een exploitatieplan?

Volgens appellant is de raming van de planschade niet ter inzage gelegd. Voorts zijn volgens appellant de in het exploitatieplan opgenomen kostenposten niet onderbouwd. De exploitatieopzet van het exploitatieplan maakt deel uit van het dossier. De indicatieve raming van de planschade is in de toelichting op de exploitatieopzet opgenomen. Deze onderdelen maken aldus deel uit van het exploitatieplan. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het exploitatieplan in strijd met artikel 6.13 Wro moet worden geacht.
Zie:
- AbRS 12-01-2011, 200906123/1/R1, LJN: BP0540 (gemeente Liesveld).